John Vandaele

Journalist bij het mondiale magazine Mo* en auteur.

Chronologie

01 Nov - 30 Nov 2014
01 Jul - 31 Jul 2014
01 Aug - 31 Aug 2013
01 Okt - 31 Okt 2011
01 Jul - 31 Jul 2011
01 Jun - 30 Jun 2010
01 Apr - 30 Apr 2010
01 Dec - 31 Dec 2009
01 Jul - 31 Jul 2009
01 Jun - 30 Jun 2009
01 Mei - 31 Mei 2009
01 Apr - 30 Apr 2009
01 Feb - 28 Feb 2009
01 Dec - 31 Dec 2008
01 Nov - 30 Nov 2008
01 Aug - 31 Aug 2008
01 Mei - 31 Mei 2008
01 Apr - 30 Apr 2008
01 Mrt - 31 Mrt 2008
01 Feb - 28 Feb 2008
01 Jan - 31 Jan 2008

Links

De vieze gasten
Buren van de abdij
Mo* magazine

Publicaties

Ik schreef recent boeken over de economische crisis (2012), over de strijd om waardig werk (2009; met Dirk Barrez), het neoliberalisme in tijden van globalisering (2007) en over de wereld van de internationale financiƫle instellingen (2005). Voor meer info en besprekingen, zie de rechts op de openingspagina.

Laatste Reacties

Walter De Vos (Snuivende Tom sch…): Ik denk dat de moderne re…
Jef Eggermont (De natie biedt so…): Dit artikel verheugt me. …

Contact

John nu

Je kan me
best bereiken
via e-mail.


Deze site werd in de winter van 2008 voor me gemaakt door Aldo Siblings.

Powered by Pivot - 1.40.4: 'Dreadwind'  XML: RSS Feed  XML: Atom Feed 

« Mist | Home | Onder het internation… »

Van 'master of the universe' naar een dienende rol

Vrijdag 07 November 2008

(verschenen in De Standaard, 30 september 2008)

De Fortisproblemen brengen de financiële crisis nu wel echt dicht bij ons. Wat kunnen we leren uit deze kapitalistische aberratie?Dat er vele soorten markten zijn en dat de structuur en regels ervan bepalen wie er meest baat bij heeft. Hoogtijd dat de geldwereld de gewone man weer meer dient.

De grote Franse historicus Fernand Braudel zag een onderscheid tussen markteconomie en kapitalisme. In een markteconomie wedijveren verschillende aanbieders van eenzelfde goed met elkaar zodat de consumenten goeie producten krijgen voor een lage prijs. Kapitalisme echter vind je volgens Braudel waar één of enkele grote spelers in een bepaalde sector erin slagen het overheidsbeleid zo te kleuren dat het hen goed uitkomt en het grote publiek minder goed.

Natuurlijk is het onderscheid tussen de twee niet absoluut; er is eerder sprake van een continuum maar Braudels woorden helpen om de huidige geldcrisis beter te begrijpen. Laat ons zijn woorden eens toepassen op de banksector. Sinds de liberalisering/privatisering slaagde de financiële wereld erin de (de)regulering interessant te maken voor zichzelf. Vooral in de VS maar gezien de centrale positie van dat land en zijn munt in de wereldeconomie heeft dat wereldwijde gevolgen. De financiële sector zag zijn aandeel in de totale bedrijfswinsten in de VS stijgen van 10 procent in 1980 tot 40% in 2007. De banken slaagden er dus wonderwel in een winstgevende omgeving te scheppen voor zichzelf (aandeelhouders en management). De klanten waren daarentegen, ook in België, veel minder tevreden over hun banken. ‘Moet dat verbazen?’, vroeg Piet Frantzen me, ooit baas bij de ASLK, de Belgische staatsbank die werd opgeslorpt door Fortis. ‘Met de ASLK maakten we 3% winst, Fortis belooft zijn aandeelhouders 18%. Tja, het verschil moet ergens vandaan komen, en niet per se van goeie klantenservice of menselijk personeelsbeleid.’ Met de ASLK had de overheid een instrument in handen om de markt mee te sturen: als de ASLK goedkope hypotheken aanbood omdat dit zijn opdracht was, moesten anderen volgen. De ASLK had overal kantoren en vroeg bijzonder weinig voor zijn puike dienstverlening. Herman Verwilst, de man die deze week als Fortis-CEO werd vervangen, besefte dat. Hij sprak zich begin jaren negentig, als kabinetschef van een socialistisch minister nog uit, tegen de privatisering van de ASLK: ‘Je gaat toch je kachel niet verkopen om hout te kunnen kopen,’ oreerde hij. Wel, het zou toch gebeuren: Jean-Luc Dehaene verpatste de ASLK om het gat in de begroting dicht te rijden (halvelings tegen de Europese regels in). En wie werd meteen daarop de nieuwe baas van Fortis? Juist ja, ene Herman Verwilst.

Nu het crisis is, lijkt de geldwereld er opnieuw in te slagen een relatief gunstige oplossing af te dwingen. De Amerikaanse belastingbetaler zou 700 miljard dollar ophoesten om de banken te verlossen van hun "giftige activa" (ook Fortis doet nu beroep op overheidssteun). Zoiets heet socialisme voor de banken. Vraag is dan: waarom geen socialisme voor de huiseigenaren of voor de mensen zonder gezondheidsverzekering ?

Het antwoord is simpel: pure macht. Met 40% van alle winst kan je wel wat invloed uitoefenen op de Amerikaanse politici. Bovendien gijzelen de banken de wereldeconomie: niet ingrijpen, betekent zoveel als een nieuwe grote depressie, wordt nu in alle ernst gesteld. De sector heeft ook zijn mannetjes op het hoogste niveau. Sinds jaren besteedt Washington zijn geldbeleid goeddeels uit aan Wallstreet: Greenspan, Rubin, Paulson... allen komen ze uit hetzelfde straatje. De huidige minister van financiën Paulson kwam rechtstreeks van de topjob bij investeringsbank Goldman Sachs. De mensen die de brand mee hebben aangesticht, moeten hem nu blussen. Dat roept vragen op.

Vorig jaar schreef ik het boekje 'De stille dood van het neoliberalisme'. Ik wees op problemen als klimaatverandering en toenemende ongelijkheid die niet zonder overheidssturing op te lossen zijn. Deze geldcrisis maakt nog veel duidelijker dat markten soms zelfdestructief zijn. Meer en andere regels zijn nu onvermijdelijk want je kan het niet maken dat we over vijf jaar hetzelfde meemaken. Maar hoever zal men gaan?

De rest van de wereld stelt terecht de vraag naar beter bestuur – waar hebben we dat nog gehoord? – van de Amerikaanse geldwereld. Het is evenwel de vraag of het "financieel-politieke complex" van de VS dat de wereldeconomie naar een meltdown dreigt te drijven, ook diepgaande veranderingen wil/laat doorvoeren.

Waar het ten gronde om gaat, is dat de banken opnieuw de economie moeten dienen in plaats van omgekeerd. Dat lukte bijvoorbeeld wonderwel tussen 1945 en 1975 in de rijke landen. Na de tweede wereldoorlog moesten banken helpen om werk te scheppen voor iedereen en het land herop te bouwen. Het rendement van geld en banken was geen doel op zich. Vele jaren was de reële rente (rente min inflatie) zelfs negatief. Dat beleid was mogelijk omdat vele landen grote openbare banken hadden die de markt mee vorm gaven en omdat het geld ‘gevangen’ zat in de landsgrenzen. Internationaal geldverkeer werd ernstig bemoeilijkt: het was zelfs moeilijk een huis te kopen in het buitenland. De grote depressie had de "haute finance" zo gediscrediteerd dat men er controle op wilde. Geld is te belangrijk om het aan bankiers over te laten, zei VS-president Franklin Roosevelt in de jaren dertig. Omdat er geen internationale geldmarkten waren, konden nationale regeringen eigen sociale en economische accenten leggen: het geld kon zijn wil niet opleggen.

Pure geldhandel werd aan banden gelegd maar voor directe buitenlandse investeringen was wel plaats. Die namen dan ook hand over hand toe, evenals de handel. Naarmate de reële economie internationaler werd, werd het moeilijker om greep te blijven houden op het geldverkeer.Vanaf de jaren zeventig heroverde het geld zijn internationale mobiliteit en daarmee ook zijn macht. Enter de neoliberale ideologie die de lof zong van vrije markten: vrij geldverkeer zonder vervelende overheidsbemoeienis, zou ons in de beste der werelden brengen. Zeker is dat geld vanaf dan meer ging opbrengen. Naarmate er meer beleggers waren, werd dat ook beter verkoopbaar, tenminste in de rijke landen. Veel ontwikkelingslanden hebben evenwel dezelfde noden als de rijke landen na de oorlog: een financiële sector die in dienst staat van hun economie en zorgt voor banen. Zij zijn zeker geïnteresseerd in directe buitenlandse investeringen die bijdragen tot hun ontwikkeling maar ondervonden al de gevolgen van een internationale geldwereld zonder regels: een grote schuldencrisis, voedsel-en oliespeculatie, muntcrisissen...

Voor de dingen die echt belangrijk zijn, jobs en welvaart, zijn al die zogenaamde financiële innovaties niet nodig. De crisis bewees trouwens dat niemand ze eigenlijk nog begreep. De Japanse banken doen nog altijd in hoofdzaak wat banken hier in de jaren zestig deden: krediet verschaffen. De hele sector gaat best terug naar die basisrol. Dat zou het toezicht ook makkelijker maken.

Het geld ontsnapte aan controle door de opmars van de neoliberale ideologie en door te internationaliseren. Als de internationalisering van de geldwereld overeind blijft, wordt ook het toezicht best internationaal. Deze crisis kan de onwilligheid van de sector tegenover elke serieuze internationale controle breken. Daarbij wordt best rekening gehouden met de veranderende machtsverhoudingen: China,Brazilië en andere India’s moeten een grotere stem in het kapittel hebben.

De bedoeling is een banksector die bijdraagt tot de welvaart van allen in plaats van zichzelf te verrijken door eindeloze handel in steeds ondoorzichtiger producten, die met de regelmaat van een klok leidt tot crisissen die onschuldige mensen verarmen. Dat is politiek onhoudbaar. Wil er iemand deze globalisering tegen zichzelf beschermen?


geen reacties

  
Persoonlijke info onthouden?

Emoticons / Textile

In de strijd tegen automatisch gegenereerde spam, vraag ik je volgende vraag te beantwoorden.
 

 

Kattebel:
Verberg email:

Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of email-adres in te typen.